MAARTEN LUTHER – MONNIK PRIESTER REFORMATOR
24 III 2026
Eerste hoofdstuk
I
In de herfst van 1511 begroet Maarten Luther Rome – salve sancta Roma – en neemt zijn intrek samen met een medebroeder voor enige maanden in het hervorming georiënteerde klooster van zijn Augustijner orde van Santa Maria del Popolo aan de noordelijke kant van de Stad. De jonge monnik-priester is geboren in 1483, ingetreden bij de Augustijner monniken in 1505 en priester gewijd in 1507, 24 jaar jong dus nu – vurig, vroom, scrupuleus, zich bewust van zijn roeping met aanleg voor de mystieke weg in de Kerk. Maarten valt op door de intense wijze waarop hij iedere ochtend de Mis opdraagt, bij voorkeur aan het altaar van het Heilige Kruis in Santa Maria del Popolo, de vierde zijkapel links. Sinds de zeventiende eeuw kent de kapel andere schilderingen, maar het houten crucifix hangt nog altijd boven het altaar, in de vijftiende eeuw vervaardigd, waarschijnlijk door een beeldsnijder uit Umbrië – Christus ingetogen nog lijdend, maar al gestorven. Het kruisbeeld wekt op door de aanblik te peinzen over het gegeven leven van de Verlosser voor ons – nu niet anders als toen. Klaarblijkelijk neemt de jonge priester de tijd om te celebreren. Want naar verluidt klagen medebroeders erover dat hij de kapel wel erg lang bezet houdt, terwijl ook zij nog moeten celebreren.[1] (Tot het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) is het de taak van de priester elke dag de Heilige Mis op te dragen – alleen; want pas met het jongste concilie is concelebratie gebruikelijk geworden.)
Luther bezoekt Rome als pelgrim, ofschoon hij hier kennelijk ook een taak heeft om de beide vleugels van de Augustijner orde – een meer strenge (geconcentreerd in het klooster van Santa Maria del Popolo) en een meer liberale (geconcentreerd in het klooster van Sant’ Agostino nabij Piazza Navona) nader bij elkaar te brengen in opdracht van zijn overste, biechtvader en mentor Johann von Staupitz. De Stad valt hem ondanks haar heiligheid tegen. De priesters raffelen hun Mis af in routine, klaagt hij. Alleen in de ‘Duitse’ kerk van Santa Maria dell’ Anima, op twee stappen afstand gelegen van Sant’Agostino, wordt de Mis eerbiedig opgedragen.[2]
De jongeling Luther, nog verwijderd van de bullebak van de Tischreden, vanaf 1531 regelmatig gehouden in diens huis in Wittenberg tot zijn dood in 1546. Daarin komt Rome geen hogere qualificatie toe dan ‘de Heilige Stad die tot hoer is verworden’ met als toevoeging dat, ‘indien de hel bestaat, Rome dan daarop staat’.
Ik ben getroffen, keer meer keren naar de Kruiskapel terug en verbeeld me de jonge monnik daar aan het altaar te zien celebreren, diep biddend en de tijd vergetend, zoals later in de zestiende eeuw aan zijn altaar bij de Romeinse Gesù Ignatius van Loyola. De jonge Luther, aangeraakt door de traditie van de mystiek in de Kerk. Maar hoe dikwijls heb ik niet na afloop van een lezing over die traditie op de kop gekregen van vaderlandse protestanten. Dat zijn dan wel calvinisten en geen lutheranen, maar toch. Walter kardinaal Kasper, van 2001 tot 2010 prefect van de ‘Raad tot bevordering van de eenheid der christenen’ reikt mij de hand. Moeten we niet in oekumenisch perspectief de mystieke aspecten van Luther ernstig nemen, vraagt hij zich af. En dan niet alleen bij de jonge Luther maar ook in een van zijn ‘sympathiekste’ reformatorische geschriften Von der Freiheit eines Christenmenschen? We behoeven een receptieve, van elkaar lerende oekumene. Aldus Kasper.[3]
Ik lees in vluchtigheid nog eens de 95 stellingen door die de jonge Augustijner professor met ergernis doet verspreiden en wellicht aanplakken aan de pas opgerichte universiteit van Wittenberg met het oogmerk de gehele Kerk van het Westen bij haar eigenlijke lessen terug te brengen en op te roepen tot wakkerheid om de schande brengende aflatenhandel en de absurde gelegenheid tot afkoping van zonden onmiddellijk te beëindigen.
Het is de tijd van de Vespers aan de vooravond van het van Allerheiligen; het hoogfeest vangt al aan. Rome feest en slaapt nog de slaap van de schuld en de megalomane San Pietro in aanbouw vordert dankzij onverdiend geld van woekering.
Paus Leo X formuleert onder meer als reactie op de stellingen (nog eens) de kerkelijke leer over de aflaten in de eerste maanden van 1519. – Om in de toekomst geen onwetendheid meer te laten bestaan over de kerkelijke leer van de aflaten en de doeltreffendheid daarvan doen wij kond ervan dat de Kerk van Rome, die als moeder te volgen is, het volgende heeft overgeleverd: De bisschop van Rome, de opvolger van de sleuteldrager Petrus en de plaatsbekleder van Jesus Christus op aarde kan op grond van de volmacht van de sleutels die ertoe dienen het hemelrijk te ontsluiten schrandere redenen hebben uit de overvloed aan verdiensten van Christus en de heiligen aflaten door middel van de absolutie te verlenen dan wel door instemming over te dragen. Daarom worden allen – levend of gestorven – die waarlijk aflaten hebben verkregen, bevrijd van een evenredig deel van de tijdelijke straf die zij volgens de goddelijke gerechtigheid voor hun huidige zonden verschuldigd zijn – zulks in overeenstemming met de verleende en verworven aflaat. – Wij besluiten op grond van apostolisch gezag, dat dit door iedereen moet worden nageleefd en verkondigd, op straffe van excommunicatie.[4]
Al in november 1517 is Luther gedagvaard zich in Rome te komen verantwoorden. Geestverwanten evenwel ontraden het hem, wijzend op de verbrandingsdood in 1415 wegens ketterij van de Praagse priester Jan Hus. Luther gaat niet. Later, in oktober 1518, reist Thomas kardinaal Cajetanus, theoloog van de Dominicaner Orde, daarom naar de Rijksdag in Augsburg om Luther wegens enige voor ketters gehouden stellingen te verhoren. Luther wijst een ondervraging af maar wenst een gedachtenwisseling. De ontmoeting mislukt. Hier zouden twee reeds bestaande denkwijzen elkaar niet meer verdragen als twee te verschillende manieren van theologie bedrijven. Luther verwijt Cajetanus niet met openheid naar de Bijbel te luisteren maar door zijn redeneren de Schrift geweld aan te doen – niet als persoonlijke tekortkoming maar als gevolg van de traditie van de Romeinse curie en de scholastiek. Daartegenover staat de theologie-beoefening waarmee Luther zich verbonden voelt – de monastieke theologie die vooral Bernard van Clairvaux heeft gemunt. Daarin wordt de Bijbel zelf aangehaald, geparafraseerd en uitgelegd en niet becommentariëerd met de Sententiae van Petrus Lombardus of met de Summae – zoals bij Cajetanus zelf – van Thomas van Aquino.
De monastieke theologie, zo Luther, concentreert zich op het hart van het christendom, op het mysterie van het heil, op de betrekking tussen de mens en God en de daaruit mogelijk voortvloeiende vereniging. Vandaar dat dit bedrijven van theologie ook ‘mystiek’ wordt genoemd, in de traditie waarvan voor de jonge Luther ook onder anderen Johannes Tauler, Bonaventura en Dionysius de Areopagiet belangrijk zijn met als invloedrijkste Johannes Gerson èn het in de veertiende eeuw vervaardigde en in de laat-Middeleeuwse, vooral Duitse kloosters hoog geschatte tractaat Theologia Deutsch – door Luther zelf in 1516 deels en in 1518 volledig uitgegeven.[5] Luther zelf heeft daarmee de verspreiding van het vertoog en het bestuderen ervan blijvend bevorderd. Het gaat om een niet zozeer systematisch opgebouwd maar uit mystieke kloosterteksten samengesteld geheel om dichter bij God te komen en door Hem daar te worden toegelaten. De klassieke trits van reiniging-verlichting-vereniging laat zich erin terugvinden, maar het menselijke aandeel daarin is uiterst gering; want de mens past alleen (afwachtende) passiviteit. Hij kan alleen zijn vrije wil aan God ter beschikking stellen, Christus als goddelijke Persoon in Diens menselijkheid navolgen en in deemoed, armoede van geest en in benul van eigen nietigheid zich openen voor de eeuwige Majesteit van de Allerhoogste. De menselijke wil zou moeten samenvallen met de goddelijke, opdat Gods wil uitsluitend geschiedt en die van de mens daarin opgaat. De liefde tot God zal alleen volledig belangeloos zijn zonder verwachting van beloning en zij blijft ook, mocht de Heer de mens evengoed naar de hel sturen (dignatio ad infernum), in eeuwige afwezigheid van Hem.[6] Aan het tractaat ten grondslag ligt de neo-Platonische traditie in de trant van Dionysius Areopagita met enige invloed van Thomas van Aquino voorts met concrete uitwerking van Boethius en vooral van Johannes Tauler en Meister Eckhart.[7] De niet met naam bekende auteur en wellicht vooral compilator van dit geschrift is waarschijnlijk een priester van de Duitse Orde uit Sachsenhausen.[8]
Zoals Eckhart spreekt de schrijver over de twee ogen van de ziel, maar terwijl volgens de eerste beide ogen tegelijk zowel in de eeuwigheid als in de tijd kunnen kijken, kan dat volgens de schrijver van Theologia Deutsch niet – het ene oog ziet de eeuwigheid, het andere oog de tijd. Het ene naar binnen gericht (in de eeuwigheid), het andere naar buiten (in de tijd), zoals ook het begrip ‘innerlijke mens’ betrokken is op de geest en het begrip ‘uiterlijke mens’ op het lijf.[9]
II
In deze geestelijke omstandigheid bevindt zich Maarten Luther, wanneer hij in woede is ontstoken over de mercantiele wijze van denken èn handelen in Rome en elders in de christenheid van het Westen. Het is dezelfde periode waarin hij zijn verhandeling Von der Freiheit eines Christenmenschen schrijft en in 1520 publiceert. Welke geestesgesteldheid spreekt daaruit?
Zoals de auteur in Theologia Deutsch onderscheidt ook Luther in zijn tractaat tussen de innerlijke en de uiterlijke mens. Vrij wordt de christen in Christus. Vrij en niemands onderdaan als innerlijke mens, dienstbaar en ieders onderdaan als uiterlijke mens. Zoals Christus twee naturen heeft – een goddelijke en een menselijke, zo ook de mens – een innerlijke naar God gericht, een uiterlijke naar mensen gericht.[10]
Vrij wordt de mens alleen in Christus. Voor vrijheid heeft Hij ons vrijgemaakt. Wij zijn geroepen tot vrijheid – niet te misbruiken als voorwendsel voor zelfzucht maar om elkaar te dienen in liefde (cf. Gal 5,1.13). Trouw blijven aan Gods Woord laat de waarheid kennen en de waarheid maakt ons vrij; wie zondigt is slaaf van de zonde maar vrijgemaakt door Christus zijn wij werkelijk vrij (cf. Jo 8,31-32.34-35). Aldus vrijheid tegenover slaafsheid. Het eerste door de innerlijke mens te zoeken, het tweede door de uiterlijke mens te weerstaan.
Wij kunnen alleen door het geloof het Woord van God aannemen, niet door onze werken. Niet door onszelf, maar alleen door Christus’ verdienste is de christen gerechtvaardigd. De gehele Schrift bestaat uit twee delen – de geboden van het Oude Verbond en de beloften van het Nieuwe Verbond. De beloften van Christus vervullen wat de geboden vereisen. Alleen zo – door het geloof, niet door de werken – wordt de ziel dankzij het Woord heilig en waarachtig, vredig en vrij. Zo verbindt de ziel zich geheel met Christus als een bruid met haar bruidegom; de bruid met de bruidegom worden één vlees (cf. Ef 5,22-33). Op grond van deze gemeenschap beroemt de ziel zich op al hetgeen van Christus is en eigent Christus Zich omgekeerd toe alles van de ziel, als was het van Hem. De zonden kunnen de ziel dus niet teloor doen gaan, omdat Christus die op Zich heeft genomen; ze zijn in Hem volledig verslonden. Zijn gerechtigheid is de hare geworden, waarop zij zich nu mag beroemen. Haar zonden blijven niet meer de hare, maar zijn van Christus geworden. Niet door te werken immers maar door te geloven alleen belijden wij God als de waarachtige, de enig Gerechtigde.[11]
Ook gerechtigd door het geloof blijft de christen in het sterfelijke leven op aarde en moet hij zijn eigen leven in toom houden en zich bekommeren om de medemens. Hier hebben we te doen met de uiterlijke mens en de werken, waartoe wij eerst in staat worden door Gods rechtvaardiging. Hoewel onze ziel door het geloof al rein is, behoeven wij wat onszelf betreft toch de onderwerping en de reiniging van het eigen lichaam om naar de gehoorzaamheid aan God terug te keren en de begeerten te beheersen. Boete doen we op grond van Gods wet (de geboden) waartegen we zondigen, geloof of genade komen voort uit Gods beloften. Wat de medemens aangaat is het ook alleen door het geloof, dat wij ons als een Christus aan een ander kunnen geven, zoals Hijzelf heeft gedaan.[12]
Aan het slot van de behandeling van zowel de innerlijke als de uiterlijke mens schrijft Luther op hervormende wijze over de Kerk met de leken (laici) en de klerken (clerici).
Elke eerstgeborene van het mannelijke geslacht neemt een bijzondere plaats in (cf. Gn 49,3; Ex 13,2). Hij is begiftigd met de eer van priesterschap en koningschap. Daarin wordt Christus voorafgebeeld, zij het met koningschap van een andere wereld (cf. Jo 18,36). Allen die tot de Kerk behoren zijn dus priesters. Wat is dan het onderscheid tussen leken en geestelijken? Er is geen verschil behoudens dat deze de anderen moeten dienen met de dienst van het Woord en onderrichten in het geloof en de christelijke vrijheid.[13]
In de Latijnse, niet in de Duitse versie van zijn tractaat, voegt Luther aan het slot een les toe over de ceremoniën.[14]Onze gerechtigheid geschiedt door het geloof, niet door werken en ceremoniën. Maar beide behoren tot het leven en een dienaar van Christus moet daarom behoedzaam en betrouwbaar zijn om het christelijke volk te onderrichten en te leiden; want gerechtigheid van het geloof wordt door ceremoniën (en werken) bedreigd. Daarom passen ceremoniën geen andere plaats dan voorbereidingen en niet meer zoals bij handwerkers en kunstenaars om iets te bouwen of te maken.[15]
In zijn geschrift over de vrijheid van een christen bepleit Luther met veel omhaal van woorden en in vele herhalingen en op polemische toon, die ik in mijn samenvatting heb weggelaten, de stelling dat onze gerechtigheid gevolg is van ons geloof en dat wij wel werken kunnen en moeten doen maar niet om daardoor gerechtigd te kunnen worden; in tegendeel -- werken kunnen we slechts verrichten dankzij ons geloof en daarom door Gods genade. Ter zijde bekritiseert hij de clerus – enerzijds door de nadruk te leggen op het algemene priesterschap van alle christenen, anderzijds door ceremoniën – het uiterlijke vertoon van de godsdienstbeoefening (dus ook de gestaltegeving van de liturgie – te beperken tot voorbereiding van de verkondiging van Gods Woord. Uit het geheel van het tractaat blijkt zijn afkeer van de zo genaamde ‘goede werken’, als zouden die op zichzelf – en niet eerst dankzij het geloof – iets in het Rijk Gods teweeg kunnen brengen en waaromtrent in zijn tijd zo veel misbruik en misverstand bestaan. Tegen dezelfde achtergrond is ook zijn afkeer van de kerkelijke hiërarchie evident – althans van het klaarblijkelijke gebrek toendertijd aan dienstbaarheid daarin. In deze publicatie van 1520 neemt Luther stelling in de leer van de Kerk. Zijn omgang met God in vroomheid, zoals in het door hem uitgegeven Theologia Deutsch, is hier afwezig. Luther is vooral geestdriftig strijder geworden.
Dezelfde mentaliteit blijkt uit de brief van 6 september 1520 aan Leo X, waarmee Luther zijn tractaat aan de paus aanbiedt. Daarin beklaagt hij zich jegens de Heilige Vader over de onchristelijke vleiers die hem dwingen zich tegenover de Heilige Stoel – Luther bedoelt de curie, niet de paus – over bepaalde van zijn 95 stellingen van 31 oktober 1517 te verantwoorden, waarbij hij zelfs Leo niet zou hebben ontzien. En hij geeft toe scherp tegen onchristelijke leringen te hebben uitgevaren. Waartoe dient zout, als het niet bijt en waartoe de snede van een zwaard als het niet kan snijden? Het Woord van God kan hij niet verloochenen (cf. 2 Tim 2,9). Is niet de curie corrupter dan Babylon of Sodom? Word niet met het volk van God gesold? Is niet de Kerk in Rome een losbandig rovershol geworden (cf. Mt 21,13), een schaamteloos bordeel, een rijk van zonde, dood en hel? Tegen dergelijke misstanden verzet Luther zich en zal hij zich blijven verzetten. De paus zelf evenwel ontziet hij in zijn stortvloed en hij beklaagt hem zelfs als gevangene van de verderfelijke Stoel aan het onchristelijke hof. Wel klaagt hij gezant Cajetanus als onkundig en onbetrouwbaar aan en ook anderen in de curie en in zijn Duitse cultuurkring – met de gevolgtrekking dat niet hij, Luther, maar Cajetanus met de zijnen schuld draagt aan de hem overkomen onbeschaamde tirannie van de kant van de Heilige Stoel, terwijl hij wel degelijk weet ervan heeft hoe zeer Zijne Heiligheid Leo in Rome heen en weer wordt geslingerd – op volle zee aan alle kanten door grenzeloze gevaren bedreigd.[16]
Na nu ook kennis te hebben vernomen van deze temperamentvolle ontboezemingen van de Augustijner monnik aan paus Leo X keren we terug naar al wat Luther daadwerkelijk met de Kerk als instituut te stellen had en de Kerk in haar hiërarchie met Luther.
III
Op 15 juni 1520 verschijnt des pausen bul Exsurge Domine (Sta op Heer). Daarin worden zorgvuldig 41 dwalingen uit 17 geschriften van Luther, verschenen van 1517 en 1520, genoemd en tot ketterij verklaard. Drie punten slechts hebben (ook) rechtstreeks betrekking op stellingen van de vooravond van Allerheiligen. De onderwerpen betreffen de sacramenten biecht en priesterschap, excommunicatie en pausschap en ja natuurlijk aflaten.[17]
Tijden verschillen en veranderen. Ik heb mij jarenlang in de dogmatische theologie van de Kerk verdiept – niet alleen omdat ik behept ben met neiging tot precisie maar ook om nauwkeurig te kunnen antwoorden op vragen. Maar zonder naar eigen inzicht neiging tot ketterij of schisma durf ik mij niettemin af te vragen nu na eeuwen of al die afkeuringen met pompa, verwoord in de pauselijke bul van 1520, ook nu nog zo streng en autoritair zouden worden geschreven.
Liever helderheid dan vaagheid. Dat blijft. Maar is bij voorbeeld het echt nog nodig de paus, de bisschop van Rome, als plaatsbekleder van Christus op aarde te betitelen? Volstaat niet de paus als opvolger van Petrus? En wat de aflaten aangaat – zou het niet nederiger zijn minder de nadruk te leggen op de Kerk als bruid van Christus die zij naar Paulus natuurlijk blijft (cf. Ef 5,22-33) en meer op de Kerk als deemoedig werktuig, als bescheiden begeleidster van Christus’ genade die zij ons mag schenken in de verkondiging van Gods Woord en de bediening van de zeven sacramenten die uit haar als sacrament voortvloeien? Persoonlijke ontboezeming nu in de poging mij in te leven in de monnik en priester Luther van toen. Maar ik ben mij ervan bewust dat in het oordeel over de Kerk van de zestiende eeuw dat over de Kerk van de jongste tijd meetrilt. De opperherder van Rome immers staat symbool voor de eenheid van de Christusgemeenschap wereldwijd. En dat heeft ook met de persoon van de Heilige Vader te maken – nu in het tijdperk van de media veel meer dan voorheen. Het is nog maar tot bijna een jaar geleden dat het twaalfjarige, autoritaire pontificaat van paus Franciscus bleek voltooid. Met de keuze van Leo XIV tot paus op 8 mei 2025 is het schip van de Kerk weer minder op drift, minder verdeeld en weer meer in rust en in evenwicht aan het komen.
Maarten Luther wijkt niet en buigt niet zijn hoofd voor het gezag in Rome. Geheel volgens zijn karakter verbrandt hij publiekelijk de bul van de Heilige Vader op 10 december van datzelfde jaar 1520. Onherroepelijk volgt dan spoedig in minder dan een maand, op 3 januari 1521, zijn excommunicatie – uitgestoten uit de Moederkerk – met de bul Decet Romanum Pontificem (Het past dat de Romeinse pontifex (in het Nederlands ‘bruggenbouwer’) [Luther uitsluit – uit de Kerk zet]).
(wordt vervolgd)
[1] Cf. Jürgen Krüger & Martin Wallraff, Luthers Rom. Die Ewige Stad in der Renaissance (Darmstadt 2010) 76-79. Notker Wolf & Corinna Mühlstedt, Kraftort Rom. Spirituelle Streifzüge (Paderborn 2024) 22-26.
[2] Cf. Maarten Luther (in een preek over Mt 21,42-44), Weimarer Ausgabe Band 47, 425,5 (met dank aan Christa Boerke voor de preciese verwijzing).
[3] Cf. Walter Kasper, Martin Luther. Eine ökumenische Perspektive (Ostfildern 2016) 64-65.
[4] Cf. Heinrich Denzinger, Enchiridion symbolorum definitionum et declarationum de rebus fidei et morum/ Kompendium der Glaubensbekenntnisse und kirchlichen Lehrentscheidungen (Lateinisch – Deutsch) , hrsg. von Peter Hünermann (Freiburg 2005 – 40. Auflage) [Denzinger/Hünermann] 1447-1449.
[5] Cf. Sven Grosse, ‘Der junge Luther und die Mystik. Ein Beitrag zur Frage nach dem Werden der reformatorischen Theologie’, in: Gottes Nähe unmittelbar erfahren, hrsg. von Berndt Hamm und Volker Leppin (Siebeck 2007) (187-235) 195-197.
[6] Cf. Andreas Zecherle, ‘Die Theologia Deutsch. Ein spätmittelalterlicher mystischer Traktat’, ibidem (1-95) 19-69.
[7] Cf. idem ibidem 80-83.
[8] Cf. idem ibidem 2-5,83.
[9] Cf. idem ibidem 43-44,59-60,81.
[10] Cf. de Nederlandse vertaling: Maarten Luther, De vrijheid van een christen, vertaald, ingeleid en geannoteerd door Christa Boerke (Kampen 2003) 73-144.
[11] Cf. ibidem 79-80,83-85,89-90,92-93,103.
[12] Cf. ibidem 105-107,111,117,123-124.
[13] Cf. ibidem 94-95,100.
[14] Cf. ibidem 8.
[15] Cf. ibidem 134-135,139-141.
[16] Cf. ibidem 51-71.
[17] Cf. Denzinger/ Hünermann 1451-1492.
