PAASWAKE

27 III 2026

De lange liturgie van de Paas­nacht is de kern van het kerke­lijke jaar. Menigeen leeft daaraan eenvou­digweg voorbij, al wat minder verzwakt in aandacht na Palm­zondag, Witte Donderdag, Goede Vrijdag en zich rich­tend op Paas­zondag. Misschien is tevens de Paas­wake niet voldoende bekend onder ons. Daarom hier een over­zicht van de liturgie van deze hoog heilige nacht – opbouw en struc­tuur en onder­scheiden delen van het geheel.

De Paas­wake – nog altijd een wake die haar tijd vergt – kent vier delen:

I zege­ning van het (nieuwe) vuur en ontste­king van de Paaskaars,
II Paas­ju­bel­zang (in oorspron­ke­lijk Latijn genoemd naar het eerste woord Exsultet (Juicht)) en dienst van het woord met voorbeden,
III viering van het Doopsel met zege­ning van het water en hernieu­wing van de Doopbeloften,
IV fees­te­lijke viering van de Eucharistie.

Ad I

De paas­nacht is de viering van het opge­stane Licht, Christus de Heer Die als Licht in de duis­ternis als Kind is geboren. De avond is gevallen en de nacht vervangt de dag. Bij voor­keur buiten voor de kerk – bij de Frie­zen­kerk op het voor­pleintje – wordt vuur ontstoken, het verwarmt en brengt licht. Met dat nieuwe licht ontsteekt de cele­brant de Paas­kaars, oorspron­ke­lijk een licht­zuil van was, een wastoorts. Nadien tekent hij de kaars ten minste met de woorden: ‘Christus gisteren en heden – Begin en Einde – Alpha en Omega – Hem behoren tijd en eeuwig­heid – heer­lijk­heid en heer­schappij – door alle eeuwen der eeuwen.’ Vervol­gens draagt de diaken de ontstoken Paas­kaars de donkere kerk binnen. Op weg naar het pries­ter­koor blijft hij drie keer een ogen­blik staan en zingt verheugd en verkon­di­gend: Lumen Christi (Licht van Christus). Al naar gelang de plaats waar hij staat in de kerk, steken de andere gelo­vigen ook hun kaars, die zij in de hand houden, aan. Zo vult zich het gehele bede­huis stilaan met het Licht van Christus, afkom­stig van de Paaskaars.

Ad II eerste deel

Aange­komen in het pries­ter­koor plaatst de diaken de kaars op de daar gereed staande stan­daard en ontvangt de zegen, zoals voor­af­gaand aan de lezing van het Evan­gelie: ‘De Heer zij in uw hart en op uw lippen. Verkondig de vreug­de­bood­schap van Pasen in eerbied en naar waar­heid.’ Hij bewie­rookt de licht­zuil als het opge­stane Licht van Christus en heft de Paas­ju­bel­zang aan die al sinds de vierde eeuw in deze nacht op deze wijze wordt gezongen, waar­schijn­lijk naar Byzan­tijnse, litur­gi­sche voor­beelden. Eeuwen lang in het Latijn en Grego­ri­aans, tegen­woordig ook in de eigen lands­taal zoals in de Frie­zen­kerk. Het Exsultet (Juicht), tegen­woordig ook gezongen in verkorte versie, bestaat uit proloog en lofzang in dank (die herin­nert aan de prefatie in de Mis), voorts eerste anam­nese (gedach­tenis), eerste epik­lese (lofprij­zing), tweede anam­nese, tweede epik­lese (die gevieren doen denken aan het hoog­gebed in de Mis).  Vijf keer in de eerste gedach­tenis wordt de geluk­za­lige Paas­nacht in herin­ne­ring geroepen, telkens inge­leid met de woorden haec nox est (dit is de nacht). Onder meer de uittocht van de Joden uit Egypte naar het beloofde land, de verdrij­ving van de duis­ternis van de zonden door het licht van de vuur­zuil, Christus Die de boeien van de dood heeft verbroken en uit het doden­rijk is opge­staan. Vervol­gens wordt dan de paradox van de verlos­sing met de wonder­bare ruil tussen de zonde van Adam en de delging daarvan door Christus bezongen. Vijf keer begint die met ‘o’. Onder meer o inaes­ti­ma­bilis dilectio cari­tatis (o onschat­baar bewijs van liefde) en o vere beata nox (o waar­lijk heilige nacht). In de tweede gedach­tenis worden bezongen de kaars, het licht uit was van bijen, de heilige nacht. Het gejubel sluit met fees­te­lijke smeek­beden, opdat de Paas­kaars onver­zwakt blijft branden en haar vlam de Morgen­ster begroet, de dage­raad van de uit de dood herrezen stra­lend opge­gane Christus.

Ad II tweede deel

Allen gaan nu zitten en doven de kaarsen om te luis­teren naar hetgeen in de dienst van het Woord tot ons wordt gezegd. De cele­brant spoort aan: ‘Wij zullen nu over­wegen hoe in het verre verleden God, Die ons heeft geschapen, Zijn volk heeft gered en hoe Hij in de volheid der tijden Zijn Zoon heeft gezonden om ons te verlossen.’  De liturgie voor­ziet in zeven lezingen uit het Oude Testa­ment (met daarop volgende cantieken en gebeden), waarvan ten minste drie moeten worden gelezen, al naar gelang de pasto­rale omstan­dig­heid, maar zeker altijd die over de uittocht uit Egypte. In de Frie­zen­kerk luis­teren we naar drie tot vier lezingen uit de Joodse Bijbel.

Uit Genesis (1,1-2) het schep­pings­ver­haal met Adam, waarin voor ons al meetrilt de nieuwe schep­ping in Christus, de nieuwe Adam.

Uit Exodus (14,15-15,1) de uittocht uit Egypte met de door­gang door de Rode Zee, waarin voor ons al de over­gang van heiden naar gedoopte in het bad van de Doop meeklinkt.

Uit Jesaja (55,1-11) het blij­vende Oude Verbond, aan David nog eens verleend, waarin wij al de aankon­di­ging in Christus van het Nieuwe altijd­du­rende Verbond in Zijn bloed beluisteren.

Uit Ezechiël (36,16-28) Gods belofte aan het volk Israel terug te zullen keren uit de verban­ning naar de heiden­vol­keren naar het eigen land, met zuiver water bespren­keld en gerei­nigd, nieuw van hart en nieuw van geest. Daarin herinner we ons alvast de dope­lingen van straks, ons eigen Doopsel en onze te vernieuwen Doopbelofte.

Uit het Nieuwe Testa­ment volgen nu nog – onder­broken door de vreugde van het Gloria in excelsis Deo met het (terug­ge­keerde) gelui van de klokken, met alle nu aange­dane lichten in de kerk en de nu aange­stoken kaarsen op het altaar – het Epistel en het Evangelie.

Door het Doopsel worden wij één met Christus en delen wij in Zijn dood, beluis­teren we in dit Epistel uit Paulus (Rom 6,3-11): ‘Door het Doopsel in Zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door d macht van Zijn Vader uit de dood is opge­wekt.’ Al in de vroege Kerk zijn het gedenken van de Doop en de Paas­nacht met elkaar verbonden – de nacht van het nieuwe leven, van het nieuwe licht.

Dit is het moment dat de cele­brant plechtig het Alle­luia inzet – de uitroep van vreugde om God te loven. De gehele Veer­tig­da­gen­tijd lang heeft het niet geklonken.

Lezing uit het Paas­e­van­gelie (in 2026 uit Matteüs 28,1-10)

Homilie

Ad III

Zoals voor­af­gaand aan de toedie­ning van meer sacra­menten wordt ook bij de viering van het Doopsel in de Paas­nacht eerst de litanie van Aller­hei­ligen gezongen.

Zege­ning van het Doop­water samen met gebed door de cele­brant over dope­lingen (indien aanwezig) en gedoopten). In de bede wordt de heils­ge­schienis door middel van water, waarin het Doopsel wordt voor­af­ge­beeld, geme­mo­reerd plus Jesus’ oproep in het Evan­gelie aan de leer­lingen gezegd te dopen in de naam van de drieëne God . Besloten wordt het gebed aldus: ‘Stort in dit water de Geest uit van Uw eenge­boren Zoon en laat allen die toch geschapen zijn naar Uw beeld, God en Heer, door het teken van het Doopsel vrij zijn van al het kwaad dat hen raken kan en doe hen kinderen zijn van Uw geslacht, herboren uit water en Heilige Geest.’

Toedie­ning van het Doopsel, indien dope­lingen aanwezig zijn. (In de Frie­zen­kerk zelden, vannacht veel­vuldig in alle bisschops­kerken van de wereld.)

Hernieu­wing van de Doop­be­loften en belij­denis van ons geloof.

Met het vers geze­gende water trekt de cele­brant door de kerk om allen met dat water te bespren­kelen. Onder­wijl wordt gezongen de anti­foon Vidi aquam egre­dientem de templo a latere dextro… (Ik heb water zien stromen uit de tempel aan de rech­ter­zijde Alle­luia. Allen, tot wie dit water is gekomen, zijn verlost en zullen zeggen Alle­luia, Alleluia.)

Voor­beden

Ad IV

De viering van de Eucha­ristie, begin­nend met het aandragen van de offergaven.

Aan de heen­zen­ding van de Paas­plech­tig­heden wordt toege­voegd: Alle­luia, Alleluia.