ÉÉN VAN GEEST
24 i 2026
‘Mogen zij allen één zijn, zoals Gij Vader in Mij en Ik in U. Dat ook zij in Ons – [in Onze ene Geest] – mogen zijn opdat de wereld gelove, dat Gij Mij hebt gezonden.’ (Jo 17,21)
‘Een van Geest’ of ‘een in Christus’? Een klemmende vraag: De Geest waait waarheen Hij wil (cf. Jo 3,8), maar laat Zich meesttijds onderscheiden interpreteren. Christus daarentegen is Dezelfde heden, gisteren en tot in eeuwigheid (cf. Heb 13,8).
In Jesus de Christus heeft God Zich eens geopenbaard en de geschiedenis van de mensen daarmee een andere, nieuwe en definitieve wending gegeven. De eenheid in Christus leidt de Geest waarheen Christus in eenheid met de Vader stuurt. Laat het christelijke geloof vooraleer Christo-centrisch zijn. Christus als centrum sticht de eenheid van Geest. Eenheid in Christus maakt vrij en laat de Geest vrij waaien (cf. Jo 3,8). ‘Laten wij de waarheid spreken in liefde en zo geheel naar Christus toegroeien. Hij is het hoofd waaruit het gehele lichaam – [de wereldwijde Christus-gemeenschap, de Kerk] – kracht put.’ (Ef 4,15-16) Geen eenheid in de Geest zonder eenheid in Christus.
Paulus maant ons in zijn brief aan de chistenen van Efese (4,1-13) – die in aanvang niet eens wisten dat de Heilige Geest bestaat (cf. Hnd 19,2) – met aandrang tot eenheid. Hij is immers ‘de gevangene in de Heer’ en moet daarom waarschuwen dat de eenheid van de Kerk door Jesus is voorgeschreven – de ene Kerk als voorwaarde om tot God in Christus naar Zijn wil te geraken. En de Apostel ontvouwt zijn betoog in drie stappen: De eerste is de toestand van onze gepaste geestesgesteldheid, de tweede de taken die wij tot opbouw van de Kerk hebben te verrichten, de derde het bereiken van ‘de gehele omvang van de Christus’.
Dit is onze roeping, de ons opgelegde weg, tevens thema van de ‘Week van gebed voor de eenheid van de christenen 2026’.
Wat de eerste stap betreft: Verdraagt elkaar in liefde en dus in onderlinge dienstbaarheid, ‘bemint elkander hartelijk met broederlijke [en zusterlijke] genegenheid en acht anderen hoger dan u zelf’ (Rom 12,10), betracht het geduld met elke ander maar ook met u zelf, dient God en elkaar met deemoed in mildheid, schranderheid, vergevingsgezindheid. Richt u op Gods wijsheid die aanvangt in de vreze voor Hem en beijvert u de eenheid des Geestes.
indien de eenheid niet voldoende is behouden, bidden wij nu met overtuiging en verlangen terug te verkrijgen door de band van de vrede. Zo geven we ons rekenschap van het ene geloof en de ene hoop waaruit wij in liefde zouden willen leven.
Wij zijn hier in de Friezenkerk in Rome bijeen in dit bedehuis om ten minste aan die eerste voorwaarde (die eerste stap) van Paulus gestalte te geven. Dat heeft de oekumene van het hart of van de spiritualiteit – door de Geest geschonken – inmiddels bereikt, terwijl wij over en weer de erkenning van de ene Doop over de nog verder te slechten kerkmuren hebben mogen terugkrijgen.
II
Vervolgens bespreekt Paulus (Ef 4,11) in de tweede stap de verscheidenheid van Christus’ gaven in de Kerk. ‘Sommigen maakte Hij apostelen, anderen profeten, weer andere herders en leraren.’ En zo zijn er nog andere ambten en zeker functies in de Kerk te vervullen.
Verscheidenheid betekent ook onderscheiding, verschil in talent, de verleiding tot hoger en lager waarderen.
Zo voegt zich bij de eerste stap van de zo heftig aangeraden beoefening van deugd spontaan de verleiding van ondeugd met als dubbele aanvoerders hoogmoed en afgunst.
Eeuwen oude deugden en niet minder eeuwen oude ondeugden.
Daarom waarschuwt Paulus ook (Rom 12,3-5): ‘Acht u zelf niet hoger dan ge kunt verantwoorden, denkt over u zelf met bedachtzaamheid, neemt als norm het geloof maar houdt rekening met de voor ieder verschillende maat van Gods gave. Want zoals het menselijke lichaam vele organen heeft met allerlei verschillende functies, zo vormen wij allen te samen in Christus één lichaam. In ieder afzonderlijk zijn wij evenals de ledematen van het lichaam aangewezen op elkaar.’
Hoe weten we tot welk lidmaat en tot welke functie of ambt we individueel geroepen zijn? Hoe leren we de Geest van God nauwkeurig onderzoeken en hoe worden we onderricht in de scheiding der geesten die allemaal in staat zijn te waaien waarheen zij willen waaien?
Het antwoord is Christus, leven met de Heer, de verhoogde en verheerlijkte Kurios, en dat dagelijks, ons voorts rond Hem scharend in de liturgie, lezend en lerend in de Schrift.
III
Hier komen we bij de derde stap van Paulus – Jesus de Christus in het midden, van Wie de Kerk de bruid is, het lichaam – naar de beelden van de Apostel – de bruid als liefde, trouw, toewijding (cf. Ef 4,32-5,1-2)), het lichaam als eenheid, organische verbondenheid, onderlinge afhankelijkheid met Christus als hoofd (cf. 1 Kor 12; Ef 1,22-23). Het is de gemeenschap van Hem in Wie Zich God als Enige heeft geopenbaard. God is mens geworden om ons te verlossen maar ook om ons deel te doen nemen aan Zijn goddelijkheid – om ons zo op te heffen, ons te troosten, nabij te zijn en Hem ons voor ogen te stellen in het mens geworden Woord. Een eenvoudig geloof dat hoop verstrekt op onze levensweg.
Zo vinden we onze eigen plaats in het lichaam van Christus. Het functioneren daarvan blijkt ons in eenvoudige aanvaarding en schenkt ons zo rust en berusting, vrede en tevredenheid. Niets ondermijnt de oekumene meer dan persoonlijke ambitie en gelijkhebberij van een bepaalde groep. Dat moeten we jegens elkaar in het geheugen blijven roepen.
Ik als zoon van de Moederkerk heb juist nu hier in dit Romeinse bedehuis bij het vallen van de avond de gelegenheid daartoe, onderwijl belijdend hier thuis te zijn in eenheid met de opvolger van Petrus – de Kerk als bruid van de Christus die – althans wat haar heiligheid aangaat – zich spiegelt in de gezamenlijke eerbied voor Maria, de Moeder Gods, het beeld van de Kerk.
Het is de persoonlijke overgave aan God die ons ook individueel helpt in het blijvend actief zoeken naar eenheid – in een houding van gebed, zoals ook het bedrijven van theologie alleen in die houding werkelijk zinvol kan blijken.
Daarbij blijft geldig dat eenheid niet eenvormigheid beduidt. Eenheid in verscheidenheid toont ons onderscheid in cultuur, geschiedenis, traditie, gewoonte, mentaliteit, ontwikkeling. Naar een woord van Augustinus: Eenheid in essentie, verscheidenheid, in alles evenwel de liefde – dus in eerbied voor Gods genade en in onderlinge verdraagzaamheid.
Bij de onderscheiding der geesten, in de lessen van Ignatius van Loyola, behoort wezenlijk het scheiden van de Geest Gods van die van andere niet van God komende geesten. Dat is de opdracht die oefening vraagt en deemoed in bidden. Dit betreft onze zoekende eenheid in de Heilige Geest Die als Persoon van de Drievuldigheid Zelf dialoog, verbinding, communicatie is tussen de beide andere Personen, de Vader en de Zoon, in de Triniteit.
‘Christus is opgestegen’, herinnert ons Paulus (Ef 4,9-10), ‘dit betekent dat Hij eerst in de diepte is afgedaald tot op de aarde’. Voorts dit: ‘Hij is Dezelfde Die ook is opgestegen hoog boven alle hemelen om het heelal te vervullen’.
De gemeenschappelijke belijdenis van het geloof daarin is stellig nader eenheid stichtend.
‘Nooit is iemand naar de hemel opgeklommen, tenzij hij uit de hemel is neergedaald – de Zoon des Mensen.’ (Jo 3,13) En zoals de Israelieten tot hun redding hebben opgezien naar de koperen slang van Moses (cf. Nu 21,4-9), zo zien wij op naar de van de aarde opgeheven Mensenzoon, naar het overwinningsteken van Zijn kruis en naar Zijn zetelen aan Gods rechter hand in de hemel (cf. Ps 110,1. Heb 10,12), waar Hij allen tot Zich trekt (cf. Jo 3,14;12,32).
‘Hij Die bestond in goddelijke Majesteit heeft Zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God.’ (Fil 2,6)
God blijkt dus al nederig. Nu wij nog.
Maar dit troost en bemoedigt ons (Jo 3,17) allemaal, afzonderlijk en gezamenlijk: ‘God heeft Zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen maar opdat de wereld door Hem zou worden gered.’
