ZOUT EN LICHT

15 IV 2026

Zowel zout als licht zijn beelden die ons worden voor­ge­houden wie wij als chris­tenen zouden moeten zijn, maar veelal uit gemak­zucht, luiheid of nala­tig­heid verzuimen te worden. Het Doopsel evenwel verplicht ons ertoe; want zo zijn wij inge­lijfd in Christus, in de Kerk, in de Christus-gemeen­schap wereldwijd.

I

‘Gij zijt het licht der wereld’, vermaant ons Jesus. Zoals een stad niet verborgen kan blijven, als die boven op een berg is gebouwd en zoals een lamp niet aange­stoken wordt om niet te schijnen voor alle aanwe­zigen in een huis waar dat licht nodig is (cf. Mt 5,14-15), zo is het ook met ons, de chris­tenen, die mogen delen in het eeuwige licht van God de Vader en God de Zoon – in Christus Jesus geboren en mens geworden, opdat wij getui­genis zouden geven van het licht dat ons verlicht en ons niet oproept maar veeleer dwingt durf te tonen van ons geloof te getuigen – ook wanneer dat niet gemak­ke­lijk en aange­naam is in een maat­schappij die God niet meer lijkt nodig te hebben.

Licht is voor ons zo vanzelf­spre­kend dat we weinig bij dat natuur­ver­schijnsel stil staan. In onze streken is het licht meestal wat bleek, de hemel dikwijls bedekt door wolken waar­door de kleur grijs over­heerst. We treffen dat ook aan in de land­schappen en de water­ta­fe­relen in de schil­der­kunst van de Hollandse zeven­tiende en negen­tiende eeuw.

Hoe anders is het licht bezuiden de Alpen met de door de zon fel beschenen, meestal het eeuwige heil weer­ge­geven voor­stel­lingen, zoals daar en nog verder naar het zuiden licht anders wordt beleefd als hier, zodanig ook dat in de zomer de zon moet worden afge­dekt tot onze bescher­ming. Hoe anders ook is de bele­ving van het binnen en het buiten. Hier vooral het binnen leven, daar vooral het buiten leven.

Niet alleen licht is een kost­baar­heid, dat is ook duis­ternis – althans tegen­woordig, nu stede­lijke gebieden dag en nacht verlicht zijn en volle­dige duis­ternis node wordt gezocht om tot rust te komen zonder prik­kels van buiten in aange­name en verkwik­kende stilte die de ziel geneest en ons opent voor wat boven ons is en ons te boven gaat – benul van tijd en eeuwig­heid, besef dat niet de mens de maat is der zaken, ontvan­ke­lijk­heid voor de grote Albe­heerser in verge­lij­king met de nietig­heid van ons mensen, zin voor gezonde betrek­ke­lijk­heid en het ons leven eenvou­digweg uit handen geven zonder terug­hou­ding, zonder zelf het laatste woord over onze auto­nomie te bezitten.

In de reli­gie­ge­schie­denis speelt altijd het licht en dus de zon een belang­rijke rol, waarbij de duis­ternis daar­te­gen­over als niet-licht wordt gesteld – afwe­zig­heid van de zon, van de godheid, het terrein niet van het goede maar van het kwade, niet van God maar van de Duivel. De zon is in vele reli­gies als godheid aanbeden of ten minste als verwij­zing naar de godheid. De Romeinse keizers eertijds beschouwden zich als incar­natie van de onover­win­ne­lijke zon en luidden daarmee als narcisten de onder­gang van de eigen bescha­ving op den duur al in om ten slotte toch de plaats te moeten afstaan aan de enig onover­win­ne­lijke zon (de sol invictus), de Zoon als even­beeld van de Vader, in Christus mens geworden als altijd blij­vende open­ba­ring van de ene God. Ook in onze God bijna vergeten tijd is de keizer van eertijds terug, opnieuw als narcist, gekleefd aan tijde­lijke macht; de keizer heet nu alleen anders – presi­dent, terwijl het feite­lijk om dicta­toren, ouder­wetse despoten gaat.

Wij belijden de ene God in ons geloof aldus: Licht uit Licht, geboren niet geschapen, gekomen in de duis­ternis maar daar niet aanvaard – onze  Verlosser uit de dood van de zonden, maar voor velen van ons niet meer nodig, omdat wij onszelf wel redden en onszelf kunnen verlossen en onze eigen zon zijn geworden zoals destijds de keizers en nu de dictators.

Neen, wij chris­tenen zijn niet het licht der wereld, maar wij delen in Gods eeuwig­heid, in Hem als het eeuwige Licht en behoren daarvan in fier­heid te getuigen als kleine lichten die verwijzen naar God als het licht, de onover­win­ne­lijke zon. Daarom voegt Jesus in het Evan­gelie (Mt 5,16) toe: ‘Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, zodat zij [de anderen] uw goede werken zien en uw Vader Die in de hemel is verheerlijken.’

II

‘Gij zijt het zout der aarde’, onder­richt ons Jesus, nadat Hij op de berg aan het Meer van Genesareth de zalig­spre­kingen heeft verkon­digd. Hij kijkt op en ziet hoger in het omrin­gende land­schap het dorp Magdala liggen waar zich in zijn tijd een zout­in­du­strie bevindt – zout om vis, beneden in het meer gevangen, door peke­ling te bewaren tegen bederf. Een voor de hand liggend beeld en voor­beeld daarom. Jesus zegt (Mt 5,13): ‘Gij zijt het zout der aarde. Maar als het zout zijn kracht verliest, waarmee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om wegge­worpen en door de mensen vertrapt te worden.’

Jesus roept ons op ons te gedragen als zout als middel tegen het bederf van de zonden, als bewaar­middel van ons geloof, als teken van smaak tegen luste­loos­heid, onver­schil­lig­heid en opper­vlak­kig­heid – tegen het te veel zweten van ons lijf door de hitte van de dag en van het Lijf van Christus, de Kerk, door de verhitte zeker­heid over de godde­loos­heid en het niet bestaan van God. Zoals voedsel gezouten moet worden -- tegen­woordig bij uitvallen van elek­tri­ci­teit en ijskast nog steeds om zo niet te bederven – zo ook moeten wij het geloof zouten om het geloof te bewaren tot eer en verheer­lij­king van God, indachtig het eeuwige zout­ver­bond uit het boek Numeri (18,19): ‘Van alle heilige gaven die de Israe­lieten aan de Heer afdragen, geef Ik u, uw zonen en uw doch­ters een vast deel [terug] als een blij­vend recht. Het geldt bij de Heer als een altijd­du­rend verbond met zout bekrach­tigd, voor u en evenzo voor uw nage­slacht.’ Welnu, indien dat zout­ver­bond nog altijd bestaat, zo veel te meer dan het nieuwe, eeuwige verbond in Christus’ bloed met ons allen, het door God eerste uitver­koren volk, waarop wij als chris­tenen als stam zijn geënt en zo daaraan toege­voegd (cf. Rom 11,16-18), en dus ook met ons, de christenen.

Laten we, dichter bij ons zelf blij­vend door de eeuwen heen, het beeld ons voor ogen voeren van de Vader als de wijn­gaar­de­nier en Jesus de Christus als de wijn­stok dankzij Wie wij zijn ranken zijn (Jo 15,5.9): ‘Ik ben de wijn­stok, gij de ranken. Wie in mij blijft, zoals ik in Hem [Mijn Vader], die draagt veel vrucht; want los van Mij kunt gij niets. […] Zoals de Vader Mij heeft bemind [en bemint in eeuwig­heid], zo heb Ik ook u bemind [en bemin Ik u in eeuwig­heid]. Blijft in Mijn liefde.’ Leeft in Mijn liefde en Ik zal u de genade schenken van Mij te getuigen in de wereld die Mij niet kent of niet meer kent of niet meer wil kennen of Mij verloo­chent door de macht van de duis­ternis die Mij ontkent en dienst­baar is aan de Satan, de chaos.

‘Alle­dag­kerk’, Begijn­hof­kerk Amsterdam 15 IV 2026
(Cf. ook Vijfde Zondag door het jaar A – 8 II 2026 Frie­zen­kerk Rome)